De temperatuurmethode

Temperatuurmethode

Er zijn verschillende manieren waarop je je vruchtbare dagen en de eisprong  te weten kunt komen. Zo kun je bijvoorbeeld de ovulatie symptomen in de gaten houden. Dit zijn signalen die je lichaam afgeeft als je ovulatie eraan komt. Eén van deze symptomen  is dat je basale lichaamstemperatuur net na de eisprong wat verhoogd. En als je trouw elke morgen je temperatuur opneemt, kun je zien wanneer je een eisprong hebt gehad. Dit noemen we de temperatuurmethode.


Je temperatuur bijhouden

De bedoeling van de temperatuurmethode is dat je elke dag op hetzelfde tijdstip – dus ook in het weekend – rectaal de basale lichaamstemperatuur (temperatuur van het lichaam in staat van rust) opneemt. Gebruik hiervoor een digitale thermometer met twee cijfers achter de komma. In de praktijk wil dit dus zeggen dat je nog voor je opstaat of ook maar iets onderneemt je temperatuur opneemt. Leg de thermometer binnen handbereik, zodat je er niet eerst voor op moet staan. Bovenstaande punten zijn erg belangrijk, want als je deze instructies niet nauwgezet opvolgt, komt de betrouwbaarheid van de temperatuurmethode serieus in het gedrang.

Je begint met temperaturen op de eerste dag van je cyclus: de dag waarop je ongesteld wordt. Vanaf deze dag doe je dat iedere morgen opnieuw. Je temperatuur noteer je dagelijks op een cycluskaart. Van de gegevens tussen de eerste dag en de laatste dag van je cyclus maak je een temperatuurcurve oftewel een grafiek. Wanneer je weer ongesteld wordt, is dat de eerste dag van een nieuwe cyclus.

Gebruik onze cycluskaart (PDF) om je temperatuur en alle andere bijzonderheden tijdens je menstruatiecyclus bij te houden


Temperatuursverhoging

Op het moment van de ovulatie zakt de temperatuur bij de meeste vrouwen een beetje. Vervolgens zo’n 12 tot 24 uur na de ovulatie stijgt deze met 0,2 tot 0,5 graad en kun je deze stijging waarnemen in de temperatuurcurve. En dan komen we direct bij het grote nadeel van de temperatuurmethode. Je ziet deze stijging pas als je eisprong al voorbij is. Op de eerste dag van de temperatuurstijging ben je misschien nog net vruchtbaar, maar op de tweede dag al niet meer. Doorgaans ben je te laat met vrijen als je een een stijging van de temperatuur waarneemt. Daarom gaan de temperatuurmethode en het controleren van het cervixslijm hand in hand. Door het verlies van het eiwit-achtige cervixslijm stel je de vruchtbare dagen vast en je lichaamstemperatuur bevestigt de eisprong.



De verhoogde temperatuur houdt aan tot de dag voordat je weer ongesteld word. Op dag waarop je ongesteld wordt, zul je merken dat de temperatuur duidelijk gezakt is naar het naar het niveau van de periode voor de eisprong. Mocht je zwanger zijn, zakt de temperatuur helemaal niet, maar blijft dan verhoogd. Dit is één van de zwangerschapsverschijnselen. Is de temperatuur zo’n 15-16 dagen na de ovulatie nog steeds hoog, wordt het tijd voor een zwangerschapstest. Je bent dan hoogstwaarschijnlijk zwanger.


Schommelingen in temperatuur

Het is normaal dat je wat lichte schommelingen waarneemt, want de lichaamstemperatuur is sterk beïnvloedbaar. Een nachtje doorzakken met vrienden, ziek zijn, medicijnen of teveel alcohol in het bloed kan de temperatuur al doen stijgen. Noteer daarom altijd deze bijzonderheden op de cycluskaart. Zo kun je achteraf elke (lichte) schommeling  plaatsen en raak je niet in de war.


Voor wie is de temperatuurmethode bedoeld

Voor iedereen die een goed inzicht wil krijgen in het verloop van haar cyclus, is de temperatuurmethode geschikt.  Zeker vrouwen met een lange of onregelmatige menstruatiecyclus hebben baat bij de temperatuurmethode.  Op deze manier kunnen ze ontdekken of ze wel een eisprong hebben. Ook voor vrouwen die al wat langer bezig zijn met zwanger worden is deze methode aan te bevelen, want de gegevens die je verkrijgt, zijn erg welkom bij je huisarts of gynaecoloog wanneer een zwangerschap na een jaar nog steeds is uitgebleven. De artsen kunnen direct het één en ander afleiden uit jouw temperatuurcurve.




Deel je mening of ervaringen!


× 1 = 3